Verhaal 2
Het is lente.
Het wordt zomer.
Mijn moeder, een vrouw van veertig,
is zwanger,
en
onder haar zwaarmoedig hart
draagt zij een baby.
In haar hoofd luiden de
doodsklokken nog
en ze voelt de kou van het koperen handvat van de
doodskist
waarin haar man ligt.
Het hart van mijn moeder,
verscheurd
tussen vreugd en verdriet,
doet mijn hart bonzen,
en met haar bloed
voedt ze mij met al haar grote,
passionele gevoelens van die dreigende
lentemorgen.
Vijf weken na het overlijden van mijn vader,
1 jaar en 1
dag voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog,
word ik geboren in
een Oost-Vlaams dorpje van slechts 400 inwoners.
Ons Ma, een krachtige,
sterk gelovige vrouw
is moeder en vader tegelijk voor ons.
Bovendien
hebben wij allemaal bij "ons ma" in de klas gezeten,
van het eerste tot
het derde studiejaar.
Door de oorlog was de miserie groot en,
door het
verlies van "onze pa" zat de pijn diep.
Maar in zulke tijden worden
sterke mensen nog sterker,
bezitten ze ook meer liefde,
en dus... werd
ik bedorven.
Vooral door mijn oudste zus
die op haar veertiende thuis
moest blijven van school,
'om op de kleine te passen'.
Zij had een hart
van koekenbrood,
waar ik dikwijls van gesmuld heb.
Telkens ik
kattenkwaad uithaalde werd ik in de hoek gezet,
waar ze me kort nadien
zelf weer uithaalde
met een stuk chocolade of een andere zoetigheid,
want langer dan een kwartier kon ze nooit kwaad blijven.
Door haar
liefderijke zorgen
groeide ik op als een onbezorgd, vrij en speels kind.
De oorlog was voor -de groten.
De V1-raketten die sissend en fluitend
over het huis scheerden
waren vliegende sterren voor mij.
Toen de
spoorweg te Merelbeke door de geallieerden werd gebombardeerd
en ze
eerst lichtbommen gooiden,
tot bij ons de hemel hel verlicht was als op
klare dag,
stond ik van vreugde te zingen om zoveel moois,
riep ik
iedereen uit de schuilkelder naar boven
om die grote kermis nooit te vergeten.
En toen de Tommy's later repen zwarte, bittere chocolade
uitdeelden
en met pakjes sigaretten gooiden,
kon het feest niet meer op.
Die dag, 10 mei 1944, dag van de bevrijding,
was ik, samen met mijn drie
zussen en mijn broer,
voor de eerste keer dronken.
Dronken van vreugde
en van de door ons ma zelfgemaakte cider uit de kelder.
En al besefte ik
niet wat het allemaal betekende,
ik deelde in de vreugde en genoot
misschien wel dubbel dan de anderen.
Het was feest.
De oorlog was
gedaan.
Het vluchten was voorbij,
de levertraan van Winterhulp bleef in
de kast en we aten chocolade.
Ons "meneerke"
(het varken, zo genoemd
omdat wij, de kinderen,
ons anders wel eens zouden misspreken
en de Duitsers overal oren en altijd vlees te kort hadden, vooral varkens)
mocht
weer uit zijn kot,
de geit liep mekkerend door het lentegras
en alle
fruitbomen stonden in bloei.
GEBOORTE/
Mijn Leven is
Verhaal 1
verhaal 2
Levensverhaal
Geboorte van de ziel