Hoe
het allemaal begon...
Hoe ik op de idee kom om mijn eigen levensverhaal te
schrijven... eenvoudig, maar laat me even het hele verhaal vertellen.
Ik zat in de normaalschool, moet zo ongeveer 16 of 17 zijn geweest, toen
we van onze prof godsdienst de opdracht kregen om een verslag te
schrijven over de religieuze ervaringen tijdens ons verlof... We zaten
er even beduusd en verwonderd bij... religieuze belevenissen tijdens het
verlof...? Je loopt wel al eens een kathedraal binnen om naar de mooie
glasramen te kijken, of de spitse gotische bogen te bewonderen, maar...
ja, misschien bedoelde hij wel zo iets... want die prof, moet je weten,
was toch niet zo maar de eerste de beste...alhoewel we dat toen nog niet
zo goed beseften, maar kom...
Met een paar studenten kwamen wij op het glorieuze idee om zoveel
mogelijk bladzijden te schrijven, maw we gingen een weddenschap aan over
wie het langste verhaal kon schrijven... lees: durfde schrijven. En dus
begon ik er aan. De woorden vielen als vanzelf uit mijn pen, en 52
bladzijden later stond het hele verhaal van onze Lourdesreis op papier.
Ge vraagt u natuurlijk af wat dat nu weer is. Awel, ik zal het u maar
allemaal vertellen.
Toen mijn broer nog een klein baby'tje was van mij was er toen nog geen
sprake kreeg hij de "roos" op zijn beentje. En nu moet ge weten dat die
roos zoiets is als een grote zweer die uit zeven kleine zweertjes
bestaat. Enfin, dat moest dagelijks meerdere keren verzorgd worden, en
ons ma, die ook al verpleegster speelde voor het hele dorp, deed wat ze
kon.
Maar op een dag moet er iets verkeerd gelopen zijn. De dokter had hem
namelijk een pikuur (injectie) gegeven en die seringe (naald) moet tot
op het been zelf zijn gestuit, maw de etter van die roos begon het been
(gebeente) aan te vreten... met als gevolg, zo wist die brave dokter,
eventueel mogelijke amputatie.
Ons ma, nog veel beter in haar sterk geloof dan in verpleegster spelen
haalde alle paternosters boven, las hele litanieën, ging op haar blote
knieën voor 't Lieve Vrouwke van den Oudenberg (op de fameuze muur van
Geraardsbergen) zitten en smeekte alle heiligen die ze kende om hare
kleinen niet zonder beentje door 't leven te laten gaan.
Dat hielp wel, maar niet genoeg, en te traag. En ons ma, ook een kordate
vrouw, probeerde de grote middelen. Ik kan het haar zo horen zeggen:
"kijk, als diene kleinen mag genezen gaan we met de hele familie naar
Lourdes in Frankrijk". Beloofd was beloofd en dus -ik was ondertussen 7
geworden, zouden we naar Lourdes gaan.
We schrijven 1947. Ons ma, mijn drie zussen, mijn broer en ik. Naar
Lourdes in Frankrijk. De trein bleek nogal duur uit te vallen, en van
een of andere pastoor had ze het adres gekregen van een garagist uit
Voorde, die al wel zeker dertig keren naar Lourdes was geweest. Met
pasters of nonnekes, of paters... allee, allemaal mensen van dezelfde
familie. En dus was die garagist een betrouwbaar iemand. Bovendien kwam
het goedkoper uit, want voor de kinderen had hij een prijsje gemaakt, of
was 't voor ons ma, die toch een propere weduwe was van nog geen
vijftig... in elk geval, we gingen naar Lourdes, en dan nog met een
taxi, een grote Chevrolet (zeker 6 of 8 cyl)
Hilaire, zo heette die man, bleek een ervaren en vriendelijke reisgids
te zijn. Ik mocht het stuur vasthouden, en ik zie het nog voor mij. De
buitenrand was van namaakivoor, een mooi gelig-witte band, en de
binnenrand in blinkend chroom was de claxon. Hij stopte regelmatig en
plukte een appel voor ons, want de Nationale7 was afgeboord met
fruitbomen, vooral appelaars, waar de fransen cider van maakten tegen
den dorst. 't Waren maar zuur appelkes, ik kan het u verzekeren, maar
soms hadden we geluk, stonden er abrikozen (kleine pèchen dachten we
eerst) en dan was 't smullen... Als we aan een rond punt kwamen (ja, ze
hadden die toen ook al in Frankrijk) liet hij de auto een paar keer rond
rijden. "Kijk, nu weet de auto nie meer waar naar toe" zei hij dan, en
wij (ik toch) geloofden hem. En aan weer een ander rond punt, reed hij
gewoon verder waarop ik: "den auto wordt al slim hé".
In elk hotel of restaurant waar we aankwamen kende iedereen hem, en
overal ging hij handjes geven en goeiendag zeggen. Op ons tafeltje stond
er altijd een Belgisch drapooke (vlaggetje)
en zo gebeurde het een keer ik geloof het was in Troyes waar Jeanne
d'Arc op een open plein staat dat we in een groot restaurant zaten met
zo'n drapooke op tafel, en uitgehongerd lijk jonge leeuwen wilden we aan
de slag. Maar de Fransen zijn maar rare gasten, en 't was zeker omdat
het zo'n chick restaurant was, maar de garçon bracht eerst ne plateau
(schenkbord) vol met sla en tomaten. Wij keken naar mekaar alsof... is
't al dat we hier gaan krijgen, maar we hadden zo'n appetijt dat we er
meteen aan begonnen, en alle sla en tomaten reeds diep in onze magen
zaten
toen dezelfde garçon met een nieuwe plateau kwam waarop niets anders dan
saucisson (lookworst - salami)
Ook deze pla moest zwichten voor onze honger, en toen hij met de
volgende schotel kwam begon de garçon het toch al wat plezanter te
vinden. Hij zei iets tegen ons ma, en daarna keken ze naar mij en en
mijn broer en glimlachten... want onzen honger was nog niet over. Enfin,
ge voelt het, 't was een schoon voyage, zo met ons allemaal met den taxi
naar het franse Lourdes, bij Bernadetje, de kaarskensprocessie, de
Cirque van Gavarnie -waar me met ijsballen smeten, echt waar- en veel
wijwater dronken van de bron... en mijn broer die nog altijd zijn
beentje heeft, en ...
zoals ik al zei, de bladzijden vulden zich vanzelf...
Ik had de weddenschap gewonnen. Maar hoe zou onze prof reageren?
Natuurlijk had ik daar niet aan gedacht, want denken is nooit mijn
sterke kant geweest. Voelen wel. En ja, het gebeurde...
mijne stapel lag helemaal boven- en vooraan op zijn pupieter
(lessenaar). Ik werd naar voor geroepen en mocht mijn hele epistel
voorlezen. Ik zag spottende, dreigende, verschrikte en bewonderende
uitdrukkingen op de gezichten van de andere studenten, maar naargelang
mijn verhaal vorderde zaten ze allemaal aandachtig te luisteren, en
stokte mijn stem ook niet meer zo erg...
"Ge moet ooit nog een boek schrijven" was het enige commentaar van onze
prof. En die woorden zijn me bijgebleven. Ik heb geschreven op
bierviltjes, op papieren servetjes, op de glanzende achterkant van
afgescheurde affiches, op mijn hand... en toen ik een catalogus ontwierp
voor mijn tentoonstelling in het National Museum of Singapore maakte ik
er een boek van... Nu schrijf ik op het internet, en ... ooit schrijf ik
een echt boek.